Vismigratie

Net als vogels trekken sommige vissen heen en weer. Vogels migreren tussen noord en zuid, en vissen tussen zout – en zoet water. Ze doen dat om te paaien. Vissen die daarvoor vanuit zee het zoete water opzoeken noemen we anadroom: het bekendste voorbeeld is de zalm. Hij trekt in het najaar de rivieren op op weg naar zijn paaigronden. Familiegenoot spiering zwemt vanuit de Waddenzee via de sluizen bij Delfzijl en Lauwersoog de wateren van Groningen binnen. Om op te groeien gaan de jonkies in het voorjaar naar zee.

Paling is in sloot en plas volwassen geworden en probeert in de herfst juist vanuit het zoete water richting zoute Sargassozee te gaan om zich daar in de buurt voort te planten; hij is katadroom. Palinglarven veranderen in zee een paar keer van vorm en proberen als glasaal het zoete water te bereiken.

Op hun trektocht komen al die vissen tegenwoordig heel veel problemen tegen. Want om ons land te beschermen tegen zeewatergeweld zijn kunstwerken als dijken, sluizen en gemalen gebouwd. Van de andere kant moet het overtollige water uit het binnenland afgevoerd kunnen worden; uit de afgegraven veengebieden in Groningen en Drenthe bijvoorbeeld. Vroeger stroomde dat water via het Reitdiep de Lauwerszee in. Bij hoge waterstanden ontstonden er echter problemen, het water kon niet geloosd. Daarom is in de tweede helft van de negentiende eeuw het Eemskanaal aangelegd om zo het teveel aan water richting Dollard te leiden.

In de loop der eeuwen zijn er heel wat waterlopen rechtgetrokken, gekanaliseerd en omgelegd, soms zelfs helemaal gedempt. Al deze maatregelen verstoorden de levenswijze van veel vissen. Gelukkig krijgt onderwaternatuur de laatste tijd meer aandacht. De Europese Kaderrichtlijn Water verplicht lidstaten ecologische doelen voor hun oppervlaktewater op te stellen én te realiseren. Worden de gestelde doelen niet gehaald, dan moeten de waterbeheerders maatregelen nemen. Verbetering van migratieroutes is een belangrijk streven. Heel veel knelpunten zijn of worden nu opgeheven. Dijken krijgen doorgangen, soms met kijkraam, sluizen staan iets langer open, bij gemalen komen visvriendelijke pompen, trappen of liften. Er worden cascades gemaakt waartegen vis kan opspringen. Rivieren en beken mogen weer meanderen, hun oude stroombed weer volgen en zelfs overstromen (wel binnen de perken). Na veel gegraaf en gedoe (natuurherstel) vormt het Reitdiep tegenwoordig weer de schakel tussen de Drentse wateren en het Lauwersmeer.

Hunze en de Drentsche Aa zijn hier in het noorden dus weer vrij optrekbaar gemaakt. Behalve paling heeft ook rivierprik profijt van het passeerbaar maken van al die kunstwerken. Rivierprik is een bijzondere vis, een parasiet: met zijn zuigsnuit hecht hij zich vast aan vissen en voedt zich met hun bloed. Hij is anadroom, wordt in zoet water geboren, trekt na een jaar of vier naar zee om verder op te groeien en komt als volwassen dier terug om te paaien. In de Drentsche Aa nemen sinds een aantal jaren de aantallen toe en is er zelfs voortplanting waargenomen. Een goed teken, hoewel de paaipopulaties nog klein zijn en dus kwetsbaar.

Hier is rivierprik beschermd, mag je hem niet vangen. Maar in Frankrijk eten ze alles wat los en vast zit, zo ook rivierprik. Aan de Garonne, in Bordeaux wordt hij vaak à La Bordelaise bereid: een paar uur stoven in rode wijn met prei en een bouquet garni, en de saus binden met het bloed dat is opgevangen bij het slachten! Ik heb het nog nooit gegeten.