Reebeheer

Het ree (Capreolus capreolus) is een beschermde inheemse diersoort, lid van de hertenfamilie. In Nederland neemt het aantal zienderogen toe ondanks het feit dat het onze natuur moet delen met heel veel andere wezens, waaronder bijna 17 miljoen landgenoten. Omdat het een beschermde soort is, is het verboden het te verjagen, te vangen of te doden, tenzij het overlast of schade veroorzaakt. En dat doet het kennelijk. Reeën zouden schade aanrichten aan de landbouw. Onderweg van het ene foerageergebied naar het andere moeten ze vaak een rijbaan oversteken en veroorzaken daarbij regelmatig verkeersongevallen met letsel aan onze heilige koe, de auto en vaak dodelijke afloop voor het dier. Langs sommige wegen zijn daarom rasters en wildroosters geplaatst of palen reflecterende plaatjes, die het moeten tegenhouden of waarschuwen tegen aanstormend verkeer. Snelheidsbeperking en waarschuwingsborden moeten de automobilist alarmeren.

De reestand in ons land wordt ‘beheerd’. Elke provincie heeft daarvoor een Faunabeheereenheid (FBE). Die telt plaatselijk in nauwe samenwerking met boeren, particulieren en jachtaktehouders het aantal reeën. In Drenthe schommelt de populatieomvang rond de 10.000 stuks. De FBE besluit hoeveel dieren in een bepaalde omgeving een goed leven kunnen leiden en beslist dientengevolge ook hoeveel dieren er gedood moeten worden. Zo voorspelt FBE Drenthe bijvoorbeeld aan de hand van de hoeveelheid geregistreerde aanrijdingen dat er dit jaar al bij al 800 dieren betrokken zullen zijn bij verkeersongevallen. Reden genoeg om een afschotplan te maken. Maar er zijn regels: zoals ‘s winters in de sneeuw mogen jagers de sporen niet volgen. De prenten staan overal en zo kun je duidelijk zien waar reeën hebben gelopen.

Het ree is een kieskeurig knabbelaar en cultuurvolger. Hier in de tuin snoept het van de toppen van de rozenstruiken, vreet de blaadjes van de klimop, eet o.a. de courgette uit de groentetuin en krabt onder bomen en struiken op zoek naar eikels en ander eetbaars. Het zijn zijn lekkerbekken en dat proef je aan hun vlees. Bovendien stelt Natuur en Milieu: ‘Wild van eigen bodem is meestal het meest milieu- en diervriendelijk vlees dat Nederland te bieden heeft’.

Dus laten we die boventallige, afgeschoten dieren maar opeten.

Een jager ‘ontweit’ een geschoten ree in het veld, ontdoet het ter plekke van zijn ingewanden. Maar soms gaan hart, lever, milt, nieren en longen mee naar huis, want ook het orgaanvlees is heel goed te eten.

Het feestelijkste deel is de reerug.

1 reerug, op bot

10 peperkorrels

6 jeneverbessen

2 kruidnagels

1 laurierblad,

4 eetlepels olie

Maak met een scherp mes een inkeping van ongeveer 2 cm diep aan weerszijden van de ruggengraat. Wrijf de kruiden samen met de olie fijn in een vijzel en smeer dit mengsel in de inkepingen, druk of bind ze dicht. Zet het vlees een half uur op een koele plek.

Verwarm de oven op 200°C.

Verhit een scheutje olie in een braadslee en braad daarin de vleeskant van de reerug aan. Zet de rug met de vleeskant naar boven in de oven en begiet het vlees regelmatig met wat braadvet.

Controleer na 30 minuten of het vlees klaar is. Dat is te controleren met een vleesthermometer, bij 60°C is het vlees rosé, bij 80°C gaar. Door met een satéprikker een gaatje te maken, kun je ook bepalen wat de stand van zaken is: komt er rood vocht uit, dan is het vlees nog bloederig, bij roze vocht is het rosé en moet het nog even braden voor het helemaal gaar is. Persoonlijk vind ik rosé het smakelijkst. Laat in elk geval het gebraad vijf à tien minuten rusten (bedekt met aluminiumfolie), zo voorkom je vochtverlies bij het aansnijden van het vlees.

(Gooi het bot niet weg, maak er wildbouillon van door het met water en kruiderij een paar uur of een nacht op laag vuur te laten trekken.)